Dit zou eigenlijk het paradijs moeten zijn
Wat meer dankbaarheid voor supermarkten en de voedingsindustrie zou ons niet
misstaan: ze hebben ons leven aanmerkelijk verbeterd.
Roland Duong
| 129 september 2010 issue
Het klinkt als een triviale vraag: wat zullen we vandaag eten? Maar we beseffen nauwelijks dat deze vraag enorme consequenties heeft voor onszelf en voor de wereld. Zonder dat we er ons bewust van zijn, integreert voedsel economieën en culturen. De voedselketen verbindt als een onzichtbare draad mensenlevens van over de hele wereld. De consument bezit een enorme macht, hij kan met zijn eetgedrag bepalen hoe complete economieën worden ingericht.
Elke dag weer kunnen we kiezen wat we eten en drinken. Het aantal kleine winkels mag dan wel dramatisch zijn afgenomen in het supermarktgeweld, ze bestaan nog steeds. Sterker nog: de vakman met een speciaal assortiment heeft nog steeds kans een goede boterham te verdienen. En naar alle waarschijnlijkheid zitten er ook enkele bij u in de buurt. Dan hebben we natuurlijk nog de keuze uit verschillende supermarkten die ook een redelijk aanbod hebben. En laten we de restaurants niet vergeten. We kunnen dagelijks uit duizenden verschillende voedingswaren kiezen.
Iedere mens heeft een aangeboren liefde voor voedsel.Mensen kunnen hunkeren naar hun lievelingskost. Hoe obsessief verlangen mensen niet naar zoet en chocola? Elke Don Juan zou ervan dromen op een dergelijke wijze te worden aanbeden. Gaat de liefde ook niet via de maag?
Maar het voedsel houdt ook van mens. Eten geeft kracht, ondersteuning, troost en plezier. Er is niets intiemer dan voedsel. Het komt op intieme plekken waar verder niets wordt toegelaten. Zelfs de seksueel onverschrokkenen komen niet daar waar het voedsel gaat. Een mens bestaat in zo’n hoge mate uit zijn voedsel, dat een kale -zakelijke relatie ermee geen recht doet aan de etenswaar.
In dit tijdsgewricht, waarin een bijzondere nadruk wordt gelegd op schandaal en jammerklank, blijft het wonder van de supermarkt ongezien. Als de mondige burger stil zou staan bij de glorieuze verworvenheden van de moderne voedselvoorziening zou zijn voedselwantrouwen een stuk afnemen. De industrie heeft nog een wereld te winnen aan waardering van de argwanende consument.
Neem het wonder van het glaasje melk, een doodgewone volksdrank die we tegenwoordig achteloos wegklokken. Dat was enkele decennia geleden toch anders. Tot na de Tweede Wereldoorlog was het glaasje melk de grootste bron van tuberculosebesmetting. Dankzij de technieken van het pasteuriseren kon de wereld voortaan meteen genieten van een beker melk, zonder eerst alle pannen en de melk zelf te moeten koken. Mensen die een vage weemoed hebben naar vervlogen tijden, omdat het tempo gemoedelijker en het voedsel eerlijker was, moeten zich dat realiseren. Ooit kostte het uren per dag om voedsel te verzamelen, te reinigen en te koken, en steeds bleef daar het risico op een ziekmakende bacterie.
De voedseltechnologie heeft ons veiligheid gegeven. Er is een onzichtbaar netwerk van controlerende instanties, checkende machines, kwaliteitsafdelingen die als onzichtbare beschermengelen waken over ons voedsel. Het is tegenwoordig bijna onmogelijk om een ouderwetse voedselvergiftiging op te lopen.
Ingenieuze voedseltechniek garandeert een constante aanvoer van gevarieerd en betaalbaar voedsel voor iedere burger. Peperduur bestaat niet meer. Uit de pan rijzende broodprijzen omdat de oogst is mislukt zijn verleden tijd.
De supermarkt creëert enorme tijdwinst. De tijd die we vroeger nodig hadden om voedsel te verzamelen en te verwerken, kunnen we nu besteden aan allerlei andere nuttige of plezierige activiteiten. Zoals dik worden voor een televisietoestel.
Het is jammer dat deze weldadigheden zo vaak als vanzelfsprekend worden -aanvaard. Bidden voor het eten was zo vreemd nog niet als je beseft dat hemel en aarde bewogen moesten worden voor de dagelijkse maaltijd. Nu moeten -hemel en aarde nog steeds worden bewogen voordat die aardappelschotel op Griekse wijze op tafel staat – alleen zien we het niet meer.
Als je wilt weten wat de Nederlander vroeger at, boek dan een reisje derde wereld. Daar zie je mensen stampen, hakken en kneden in een klodder zetmeel. Wat nu voor ons een bijgerecht is – rijst, aardappelen, pasta of brood (waar we een hele regenboog aan vlees, vis, groente en kruiden aan toevoegen) – is voor de meeste wereldburgers de hoofdmaaltijd. Die hebben geen geld voor van alles erbij. Net als vroeger bij ons: broodpap bij het opstaan, broodpap voor de lunch, een paar aardappelen met wat vet voor de avond.
De verschraling van het voedselaanbod die nostalgische zielen en culinaire experts ons willen aanpraten, vindt niet plaats. Het is precies omgekeerd: gewone burgers hebben in het huidige tijdsgewricht nog nooit zoveel te kiezen gehad. ‘Tja,’ zeggen de azijnpissers, ‘misschien kun je tegenwoordig wel kiezen uit tien soorten appels, maar geen enkele smaakt meer naar appel.’ Daar staat tegenover dat de broodpap vroeger misschien nog wel smaakte als echte broodpap, maar dat de negentiende-eeuwse bleekneus na de voorspelbare lunch alleen kon dromen van een door de voedselindustrie verpeste appel.
De sombermansen die treuren over de teloorgang van de blauwbekcapucijner en de verdwenen smaak van oud-Zeeuwse gordelkaas weten ondanks het vermeende verval en de malaise hun geroemde ingrediënten feilloos te vinden. Er moet wel wat moeite voor worden gedaan, maar dan krijg je ook wat. Er bestaat geen enkele culinaire expert die de verzuchting slaakt dat goed spul nergens meer te krijgen is. Het gaat altijd in de trant van: ‘De kaas uit de supermarkt is verschrikkelijk, maar ík weet een kaasboertje ergens, je likt je vingers erbij af!’
Een Hollandse supermarktketen zal nooit zulke lekkere kaas verkopen als de kaasexpert. Dat heeft verschillende redenen. Supermarkten behoren vaak tot beursgenoteerde bedrijven. Dat betekent dat een supermarkt nooit het doel heeft om het lekkerste brood te bakken. Sterker nog, als de beursgenoteerde grootgrutter het lekkerste brood in de schappen tovert, zal dat tot ongerustheid leiden bij de aandeelhouders. Die zijn niet geïnteresseerd in het lekkerste brood, ze willen de lekkerste belegging.
Het lekkerste brood zal altijd te duur zijn voor de Hollandse grootgrutter. Er moet namelijk veel liefde in lekker. De beste bakkers, slagers en boeren hebben één ding gemeen: een enorme passie voor hun producten. En passie kost tijd. De tijd maakt de kwaliteit. Tijd om etenswaar te laten grazen, groeien, rijpen, versterven, rijzen, fermenteren, tijd om te kneden, te combineren, te proeven. Tijd is geld. Dat weet de aandeelhouder als geen ander. De liefde voor het geld is voor de supermarkt altijd groter dan de liefde voor het brood. Exit lekkerste brood. De beste supermarkt is op zoek naar het brood met de optimale prijs-kwaliteitverhouding, nooit naar het allerbeste brood.
Dat betekent niet dat langzaam en ambachtelijk produceren per definitie beter is, of dat een industriële koekenbakker geen hart voor de zaak kan hebben. Talentloze en onervaren koekenbakkers die een hele dag doen over een koekje zullen dat evengoed verprutsen, terwijl een industriële koekenbakker met hart voor de zaak fantastische koekjes bakken kan.
Er bestaan goede biscuit- en koekjesfabrieken waar deegwaar van prima kwaliteit van de band rolt. In de gigantische LU-fabriek in Herentals, België, staat een banketbakker aan het roer die zorgt voor lekkere koek. Een vakman verantwoordelijk voor miljoenen Bastognes, TUC’jes, Scholiertjes en Liga-koekjes. Dat klinkt onmogelijk, miljoenen lekkere koekjes bakken, maar hij presteert het.
We mogen industrie en supermarkt wel dankbaar zijn. Dankzij deze grootmachten gaan de slechte en matige middenstanders eraan. Een slechte ambachtsman verliest het altijd van een goede fabriek. Een bakker die in deze tijd weet te overleven moet een topzaak hebben, want hoe goed de industrie ook kan zijn, elke -fabriekseigenaar zal erkennen dat de gepassioneerde ambachtelijke bakker de lekkerste spullen bakt.
Terug naar de vaderlandse supermarkt. Al is de supermarkt niet geïnteresseerd in het lekkerste brood, voor geld wil men er best doen alsof. In de praktijk betekent dit dat een supermarkt die goed betalende klanten wil, zich vermomt als ambachtelijke bakker. Waar de broden in manden liggen en niet in stalen stellingen. Waar de verpakking ouderwets is: geen plastic, maar iets wat in ieder geval lijkt op papier. Waar veel zaden op het brood zijn geplakt en de kleur en de geur tot de verbeelding spreken. Dan hoeft het brood zelf niet top te zijn. Als het enigszins eetbaar is, zal de klant toch snel denken: ‘Lekker!’. Mensen proeven met de ogen. Supermarkt blij. Klant blij. De middelmatige bakker om de hoek staat het huilen nader dan het lachen. De topbakker deert het niet.
Zo is de Nederlandse situatie: Nederlanders geven notoir weinig geld uit aan voedsel. Fransen en Belgen weten goed voedsel meer te waarderen en spenderen er meer aan. In Frankrijk en België kan een supermarkt in veel gevallen dezelfde -aandacht aan het product geven als een kleine kruidenier, omdat de Fransman bereid is daarvoor te betalen. In een Franse supermarkt kom je vaak vlees- en visafdelingen tegen die in Nederland zouden doorgaan voor een exclusieve speciaalzaak. Het voedsel zit zo diep in de Franse genen en cultuur dat Fransen hun brood nog steeds betrekken bij een zelfstandige bakker, en dat er nog steeds veel goedlopende markten waar zelfstandige voedselproducenten een goede boterham verdienen.
Zolang de mensheid bestaat, zal er een markt zijn voor bijzonder lekkere etenswaren, al was het alleen maar omdat voedsel ook een manier is om je te onderscheiden van het plebs. Er zal altijd een fanatiekeling zijn die bereid is om vele kilometers extra te fietsen voor de bijna verdwenen smaak van een bijna verdwenen kaas of een bijzonder lekker taartje. Kan er weer lekker worden opgeschept.
Het is een unicum in de menselijke geschiedenis dat de meerderheid van de bevolking toegang heeft tot goederen en diensten die tot voor kort het privilege waren van een heel kleine elite. Fruit en groente buiten het seizoen waren een zeldzaamheid op het menu, slechts weggelegd voor de allermachtigsten. Tegenwoordig worden sperziebonen uit Kenia ingevlogen voor de massa, zoals Romeinse keizers werden verwend met specialiteiten uit de verre -gewesten.
Dit is niet zomaar een gouden eeuw. Dit zou eigenlijk het paradijs moeten zijn. In vijftig jaar is het ons gelukt om een bestaan van duizenden jaren sappelen, strijden en wroeten om het dagelijkse brood achter ons te laten. De smeekbede ‘geef ons heden ons dagelijks brood’ is een anachronisme. Bidden om voedsel is hopeloos ouderwets. Het gebed voor gulle oogst en gerstenat is vervangen door gebabbel van een vlotte talkshowhost die het achteloze wegkauwen van de vierkazenquiche begeleidt. We mogen blij zijn dat we in Nederland voor onze voedselvoorziening niet langer aan de wispelturige goden zijn overgeleverd, maar met het wegvallen van het maaltijdgebed is ook het respect en de waardering voor ons voedsel verlorengegaan.
We zien onze gevulde koelkast als een vanzelfsprekende trog waaruit we gedachteloos elk moment van de dag kunnen grazen. Om de gevulde koelkast weer als wonder te kunnen zien, is het noodzakelijk stil te staan bij de bittere strijd die onze voorouders hebben moeten leveren voor hun dagelijkse brood. Een staat van structurele tevredenheid is haast onbereikbaar als zo achteloos wordt omgegaan met de rijkdom waarin wij leven.
Wij eren onze oorlogshelden en vieren jaarlijks Bevrijdingsdag, maar de gewonnen strijd tegen de honger, die wereldwijd honderden miljoenen levens heeft gekost, kan rekenen op een schouderophalen. Het minste wat we kunnen doen, is met ons volle bewustzijn genieten van deze ongelooflijke weelde.
Met toestemming bewerkt en overgenomen van Het supermarktparadijs: Gezond kiezen is een kunst, door Roland Duong, dat in september verschijnt bij Athenaeum, Polak & Van Gennep.
Meer lezen?
De mythe van de biotechnologie
Biologische Manifest
De verrassende toekomst van ons voedsel
Volg Ode ook op Twitter of Facebook, via de digitale nieuwsbrief, of neem een proefabonnement op Ode voor slechts €3,33 per maand