Optimisme moet je doenEen optimistische instelling is niet alleen goed voor uw geestelijke, maar ook voor uw lichamelijke gezondheid. Geef het maar toe. Stiekem vindt u optimisten een beetje hinderlijke mensen, met hun eeuwige, onuitstaanbare glimlach, die altijd alles rooskleurig inzien en opbeurende clichés rondstrooien. Misschien komen er wel weinig vleiende woorden als ‘sukkel’ of ‘idioot’ in u op wanneer u zo’n rasoptimist tegenkomt. En wanneer een optimist zich altijd maar overgeeft aan wensdenken of aan dat belachelijke ‘blinde optimisme’, dan verdenkt u hem er waarschijnlijk van dat hij gek is, misschien wel gevaarlijk. Dat alles geeft voeding voor de vraag: is optimisme wel een eigenschap die we onszelf en onze kinderen moeten aanleren? Om eerlijk te zijn: ja, dus. Optimisme kan bescherming bieden tegen depressiviteit en angststoornissen en kan de emotionele veerkracht vergroten. Optimisten hebben een betere lichamelijke gezondheid dan pessimisten en herstellen sneller van bijvoorbeeld een hartaandoening. Optimisme helpt om beter met stress om te gaan en heeft over het geheel genomen een positief effect op het immuunsysteem. Bovendien zoeken de meeste mensen graag het gezelschap van optimisten. Vergeleken met pessimisten hebben ze meer vrienden en meestal een groter sociaal netwerk, wat weer bevorderlijk is voor de gezondheid. Met alle sombere berichten om ons heen (over de economie, over het milieu, over natuurrampen) is het verleidelijk pessimistisch te zijn. Maar dat betekent niet dat we gedoemd zijn tot pessimisme. Optimisme zit wel degelijk in de mens ingebouwd. Volgens Tali Sharot, als onderzoeker verbonden aan het Wellcome Trust Centre for Neuroimaging aan het University College in Londen, voldoet zelfs zo’n tachtig procent van de mensen aan de psychologische criteria voor optimisme, ongeacht leeftijd, ras, geslacht of cultuur. En voor wie daar niet toe behoort, of voor wie optimisme niet natuurlijk genoeg komt: het mooie is dat je optimisme kunt leren. Het vergt alleen een beetje oefening en, verrassend genoeg misschien, een gezonde dosis durf, doorzettingsvermogen, zelfkritiek en redeneerkunst. Optimisme is niet synoniem aan opgewektheid of blijdschap. Een optimist kan best opgewekt of blij zijn, maar dat kan een pessimist ook. In zijn boek Learned Optimism onderscheidt Martin Seligman een Amerikaanse hoogleraar psychologie die internationaal is vermaard doordat hij al bijna dertig jaar onderzoek doet naar positieve gevoelens optimisten en pessimisten niet van elkaar op grond van hun stemming op een bepaald moment, maar op grond van hoe zij doorgaans reageren op de dingen die hun overkomen. Psychologen noemen dat de ‘verklarende stijl’. Volgens Seligman denken mensen met een pessimistische instelling dat nare gebeurtenissen altijd hun eigen schuld zijn en dat de gevolgen ervan lang, misschien wel eeuwig voortduren. Sterker nog, ze maken negatieve extrapolaties en geloven bijvoorbeeld dat die ene nare gebeurtenis alles zal bederven wat ze ooit verder nog in hun leven proberen te bereiken. In hun beoordeling van een woordenwisseling met hun partner, een tegenvallend examenresultaat of een foutje in het verkeer benadrukken ze de blijvende, onvermijdelijke en universele aspecten. Kent u iemand die strooit met uitspraken als ‘ik ben volledig uitgeteld’, ‘ik zal nooit afvallen’, ‘je praat nooit met me’ of ‘tennis is ook helemaal niets voor mij’? Dan kent u een pessimist. Optimisten daarentegen vervangen volgens Seligman het pessimistische scenario met beweringen als ‘ik ben vanavond doodmoe’, ‘op vakantie afvallen is eigenlijk nog best lastig’, ‘ik wou dat je wat meer met me praatte’ en ‘het ging vandaag niet zo goed op de tennisbaan’. Ook als een pessimist een goede dag heeft, zweeft er wel ergens een donker wolkje, zoals blijkt uit opmerkingen als ‘goh, het is eindelijk een van de weinige dagen dat ik eens geluk heb’ en ‘ik, afgevallen? Dan zal ik wel lintwormen hebben’. Een optimist zal prettige of succesvolle ervaringen juist een algemener, blijvender effect toekennen: ‘jeetje, ik ben een geluksvogel’ en ‘op dieet blijven was soms lastig, maar het had wel effect’. Kortom, wanneer er iets naars gebeurt, zal een pessimist dat verklaren met woorden als ‘altijd’ en ‘nooit’, terwijl een optimist termen als ‘de laatste tijd’ en ‘soms’ bezigt. En als er eens iets goeds is, verklaren ze dat met woorden die duiden op voorbijgaande aard, terwijl optimisten succesvolle gebeurtenissen beschouwen als normaal of gewoon iets wat je best mag verwachten. Sharot stelt dat optimisme bestaat uit de ‘overschatting van de kans op positieve gebeurtenissen en de onderschatting van de kans op negatieve gebeurtenissen in de toekomst’. Deze verschillen in verklarende stijl zijn belangrijk. Pessimisme wordt beschouwd als een ernstige risicofactor voor depressiviteit. Na een tegenslag zet pessimisme een rem op alle ambities op het persoonlijke, creatieve en beroepsmatige vlak. Geen wonder dat pessimisme een zelfbevestigende voorspelling wordt. Als je niet gelooft dat iets zal lukken, geef je al snel elke poging op. Dit soort mensen, de zogeheten ‘dispositionele pessimisten’, zijn geen volhouders. En wanneer precies gebeurt wat ze hadden voorspeld dat ze falen dan kunnen ze er niet eens van genieten dat ze gelijk hadden. Ze voelen zich alleen maar beroerder. Doorzetten ondanks alle problemen of zelfs mislukkingen is daarentegen kenmerkend voor optimisme. Eerlijkheidshalve moet worden gezegd dat pessimisme soms samengaat met realisme, accuraatheid en een hoog prestatieniveau op academisch, professioneel en persoonlijk vlak. Neem de co-piloot van een passagiersvliegtuig, die voor vertrek om het vliegtuig heen moet lopen om te zien of er problemen zijn, misschien zelfs wel in de veronderstelling dat er werkelijk een probleem valt te ontdekken. Wie in dat vliegtuig zit, wil niet dat de co-piloot heeft gedacht: ‘Ach, de meeste vliegtuigen komen veilig aan. Ik ben er redelijk optimistisch over dat dat nu ook gebeurt. Het zal wel goed zijn.’
1
2
3
4
5
NEXT >>
|
|


