Email   Print
Share  

Waarom onkruid niet vergaat

Juist de genen die mensen kunnen drijven tot depressie of verslaving vormen de basis van het evolutionaire succes van de mens. In de juiste omgeving kunnen zogeheten 'orchideekinderen' uitgroeien tot de meest creatieve, geslaagde en gelukkigste mensen van de samenleving.

David Dobbs | 125 april/mei 2010 issue

In 2004 ging Marian Bakermans-Kranenburg, hoogleraar algemene en gezinspedagogiek aan de universiteit van Leiden, gewapend met een videocamera, naar gezinnen met kinderen van een tot drie jaar, die het ernstig tegendraadse, agressieve en ergerlijke gedrag vertoonden dat psychologen ‘externaliseren’ noemen: jengelen, krijsen, slaan, hysterisch worden, met dingen gooien en welbewust weigeren op redelijke verzoeken in te gaan. Normaal gedrag bij peuters, misschien. Maar uit onderzoek blijkt dat peuters die dit gedrag in uitzonderlijke mate vertonen, een grote kans lopen om gestresste, verwarde kinderen te worden die op school intellectueel en sociaal niet meekomen en later antisociale en ongewoon agressieve volwassenen worden.

Bakermans-Kranenburg en haar collega’s begonnen hun onderzoek met de screening van 2408 kinderen via een enquête onder ouders, en richtten zich op de vijfentwintig procent die door de ouders het hoogste cijfer voor externaliserend gedrag hadden gekregen. De cijfers werden door klinische observatie bevestigd.

 
 

Bakermans-Kranenburg wilde het gedrag van de kinderen veranderen. De door haar instituut ontwikkelde interventie bestond eruit dat zij of een andere onderzoeker honderdtwintig families in acht maanden tijd zes keer zou bezoeken, de moeder en het kind bij alledaagse bezigheden zou filmen – waaronder situaties waarin gehoorzaamheid en samenwerking werden gevraagd – en het filmmateriaal ter instructie aan de moeders zou tonen. Bij een andere groep van sterk externaliserende kinderen werd niet ingegrepen.

Tot grote blijdschap van de onderzoekers werkte de interventie. De moeders leerden dankzij de videobeelden de signalen te herkennen die ze vroeger over het hoofd hadden gezien, of anders te reageren op signalen die ze wel hadden gezien, maar waarop ze verkeerd hadden gereageerd. Veel moeders hadden er bijvoorbeeld met tegenzin mee ingestemd voor te lezen aan hun onrustige, lastige kinderen, onder het motto dat ze toch niet stil zaten. Maar volgens Bakermans-Kranenburg merkten die moeders toen ze de beelden zagen tot hun verbazing ‘hoe leuk het kind het had gevonden – en zij zelf ook’. De meeste moeders gingen hun kinderen geregeld voorlezen, waardoor een rustmoment ontstond dat ze voorheen niet voor mogelijk hadden gehouden.

Het gedrag verbeterde. Een jaar later was de externaliseringsscore van de peuters bij wie een interventie was gepleegd, met meer dan zestien procent gedaald, terwijl de verbetering in de controlegroep rond de tien procent lag (zoals verwacht, door een bescheiden toename van de zelfbeheersing met de leeftijd). En de reacties van de moeders op hun kinderen werd steeds positiever en constructiever.

Er zijn maar weinig programma’s waarin de interactie tussen ouders en kind zo succesvol wordt aangepakt. Maar het meten van de werkzaamheid van de interventie was niet de enige en ook niet de belangrijkste opzet van het Leidse team. Ze wilden ook een revolutionaire nieuwe hypothese testen over de wijze waarop gedrag door genen wordt beïnvloed: een hypothese die niet alleen onze visie op mentale stoornissen en disfunctioneel gedrag zal veranderen, maar ook op de evolutie van de mens.

Het Leidse team was uit op een nieuwe interpretatie van misschien wel een van de belangrijkste en invloedrijkste ideeën in modern psychiatrisch onderzoek en persoonlijkheidsonderzoek: dat bepaalde varianten van essentiële gedragsgenen (waarvan de meeste van invloed zijn op de ontwikkeling van de hersenen of de opname van de chemische boodschappers in de hersenen) ervoor zorgen dat iemand kwetsbaar is voor bepaalde stemmings- of persoonlijkheidsstoornissen of psychiatrische aandoeningen.

Deze hypothese, die de afgelopen vijftien jaar door talrijke studies is bevestigd en ook wel de ‘stressdiathese’ wordt genoemd of het ‘genetisch kwetsbaarheidsmodel’, is langzamerhand doorgedrongen in de hele psychiatrie en gedragswetenschap. In die periode hebben onderzoekers meer dan een tiental genvarianten beschreven die de kans op depressiviteit, angststoornissen, ADHD, verhoogd risicogedrag en antisociaal, sociopathisch of gewelddadig gedrag en andere problemen vergroten – maar uitsluitend en alleen als de persoon die drager is van deze variant een traumatische of stressvolle jeugd heeft gehad of later in zijn leven in uitzonderlijk moeilijke situaties komt.

Onder invloed van de kwetsbaarheidshypothese, zoals die wordt genoemd, is onze kijk op veel psychische en gedragsproblemen al veranderd. Deze problemen worden nu voorgesteld als het resultaat van complexe ‘interacties tussen genen en omgeving’ in plaats van het gevolg van louter aanleg of opvoeding. Het is niet zo dat je door je genen bent veroordeeld tot bepaalde stoornissen, maar als je een ‘slechte’ variant van een bepaald gen bezit en het leven tegenzit, heb je er wel meer kans op.

Onlangs is daar echter een andere hypothese uit voortgekomen, die de zaak op zijn kop zet. Volgens dit nieuwe model zou het een vergissing zijn om die ‘risicogenen’ te beschouwen als louter een nadeel. In de nieuwe zienswijze kunnen die slechte genen inderdaad onder ongunstige omstandigheden tot disfunctioneel gedrag leiden, maar ze kunnen onder gunstige omstandigheden ook het functioneren verbeteren. De genetische kwetsbaarheid voor negatieve ervaringen die door de kwetsbaarheids-hypothese wordt omschreven, zou dan slechts de keerzijde zijn van een veel belangrijker verschijnsel: een verhoogde genetische gevoeligheid voor alle vormen van ervaring.

Er komt steeds meer bewijsmateriaal voor deze opvatting. Het bestond eigenlijk al jaren, maar werd over het hoofd gezien doordat de meeste onderzoekers in de gedragsgenetica vooral waren gespitst op disfunctioneel gedrag. Volgens Jay Belsky, ontwikkelingspsycholoog aan het Birkbeck College van de universiteit van Londen, is die tunnelvisie heel verklaarbaar. ‘Het meeste werk in de gedragsgenetica wordt uitgevoerd door onderzoekers van mentale stoornissen die met kwetsbaarheid bezig zijn’, zegt hij.

‘De positieve kant ervan zien ze niet omdat ze er niet naar op zoek zijn. Vergelijk het maar met een bankbiljet dat je onder tafel laat vallen. Je kijkt onder de tafel, ziet het biljet liggen en pakt het. Maar het andere biljet vlak voor je voeten zie je over het hoofd.’


1 2 3 4 5 NEXT >>
view as a single page

 


Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit