Email   Print
Share  

Klein maar dapper

Dan Schank | 124 maart 2010 issue

Kan de Q-microbe de sleutel zijn tot biodiesel?

Microbioloog Thomas Warnick deed in 1996 onderzoek in het Quabbin Reservoir, een stuwmeer bij het stadje Belchertown, in de staat Massachusetts. Daar ontdekte hij een kleine bacterie met een lange naam: Clostridium phytofermentans. Warnick, verbonden aan de Universiteit van Amherst, werd naar het meer gestuurd om micro-organismen te zoeken die de cellulose uit planten kunnen afbreken. Zijn chef, Susan Leschine, had op uiteenlopende plekken als Brazilië, Frankrijk en Hawaï naar zo’n organisme gespeurd, maar ze had nog nooit iets dergelijks gezien als waarmee Warnick destijds kwam aanzetten.

De Q-microbe – want zo werd de eencel-lige al snel genoemd – is geen alledaagse bacil. Hij kan ongeveer alles verteren wat cellulose bevat – zoals natuurlijke vezels, hout en katoen – en er vervolgens ethanol van maken. Leschine zag volop mogelijkheden en richtte Qteros op, een bedrijf om de talenten van de bacterie commercieel te exploiteren, dat direct een samenwerking begon met Applied CleanTech (ACT), een firma uit Israël die groene energie haalt uit vaste stoffen in het afvalwater. ACT’s recyclesysteem voor rioolwater kan van de vaste stof ‘recyllose’ maken. De Q-microbe blijkt verzot te zijn op recyllose en zet deze katoenachtige substantie om in ethanol, die als autobrandstof kan dienen. Jeff Hausther, hoofdonderzoeker bij Qteros, voorziet een bijzondere, regionale afzet voor zijn nieuwe biobrandstof. Afvalstoffen zijn voor boerenbedrijven en woonwijken uiteraard een probleem, zowel financieel als milieutechnisch. Maar door de Q-microbe aan het werk te zetten, kunnen kleinschalige ethanolfabriekjes pal naast het waterzuiveringsbedrijf binnenkort realiteit worden.

 
 


Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit