Email   Print
Share  

‘Hoe kan ik een leven inpassen in dit soort werk?’

De Canadese arts James Maskalyk over zijn motivatie om een comfortabele baan als universitair docent in de steek te laten om in Soedan te gaan werken voor Artsen zonder Grenzen.

James Maskalyk | 117 juni 2009 issue

Terwijl hij als arts werkte in Soedan raakte James Maskalyk zeer gehecht aan dit meisje dat hij kon helpe door haar te gnezen van tuberculose.
Foto: James Maskalyk

Al vanaf zijn medicijnenstudie aan de universiteit van Calgary in de jaren negentig werkt James Maskalyk aan verbetering van de gezondheidszorg in ontwikkelingslanden. Hij maakte zijn eerste reis – naar Chili in 1997 – om zijn vriendinnetje te imponeren, zegt hij. Maar het was Maskalyk zelf die geïmponeerd terugkwam. Hij was verontwaardigd over de onvermijdelijke relatie tussen armoede en slechte gezondheid en nam zich voor om daar verbetering in te brengen. Na enkele andere reizen besloot Maskalyk in 2007 een half jaar vrij te nemen van zijn functie als docent spoedeisende geneeskunde aan de Universiteit van Toronto om te werken voor Artsen zonder Grenzen (AzG) in Soedan.

Soedan werd toen (en wordt nog steeds) geteisterd door -etnische en religieuze conflicten tussen islamitische Arabieren in het noorden en christelijke Afrikanen in het zuiden. In Darfur, in West-Soedan, worden regeringsgezinde milities ervan beschuldigd meer dan 200 duizend mensen te hebben vermoord als onderdeel van een etnische zuiveringscampagne tegen niet-Arabieren. Maskalyk werd uitgezonden naar Abyei, een regio die een brug vormt tussen Noord- en Zuid-Soedan; daar liepen de spanningen hoog op, omdat deze olierijke streek valt onder een bijzondere bestuursstatus waar Noord noch Zuid zich mee kan verenigen.

 
 

In mei verscheen zijn boek, Six Months in Sudan. Hij sprak met Ode over zijn ervaringen in Soedan en zijn motieven om als vrijwilliger te gaan werken.



‘Ik zou eigenlijk overal naartoe zijn gegaan. Het maakte niet uit. Werken in Soedan was niet zo heel anders dan ik me had voorgesteld. Ik werkte in een klein ziekenhuis. Ik bivakkeerde in een hut. Maar ik geloof wel dat ik een idyllischer soort bestaan had verwacht. Ik had niet gedacht dat het zo druk zou zijn. Er woonden zoveel mensen in dat gebied, zo’n 30 tot 60 duizend. Er was constant zoveel lawaai. Maar als Artsen zonder Grenzen je uitzendt naar een land als, pak ’m beet, Azerbeidzjan, dan kun je niet “nou, ik had eigenlijk op een warmer land gehoopt” gaan zeggen. Het gaat niet om jou.

Ik was amper een paar dagen in Soedan toen de mazelen uitbrak. Er gingen een heleboel kinderen dood en ik wist niet wat ik moest doen. Of eigenlijk wist ik dat wel, maar we konden niet genoeg. En dacht ik: moet ik nu naar bed gaan en het morgen allemaal opnieuw doen? Ik zat emotioneel en spiritueel aan de grond, denk ik. Er was een klein meisje, Aweil [niet haar echte naam, red.], dat me gaandweg heel dierbaar werd. Haar vader was soldaat en haar moeder was in het ziekenhuis gestorven. Aweil was toen zeven maanden oud en bleef alleen achter. Door een buurvrouw werd ze het ziekenhuis binnengebracht. Toen ik haar onderzocht en haar hart beluisterde, merkte ik dat ze zo’n dorst had dat ze aan mijn stethoscoop begon te sabbelen. Ik behandelde haar voor uitdroging en diarree. Ze herstelde wel wat, maar werd niet echt beter en kreeg telkens weer koorts.

Zo raakte ik in haar geïnteresseerd als arts, omdat ik niet wist wat ze mankeerde. Naarmate ze haar eigen persoonlijkheid ontwikkelde, raakte ik ook in haar geïnteresseerd als mens. Ze had iets unieks, misschien zag ik een soort zielsverwantschap. Na een maand begon ik haar te behandelen voor tuberculose. Ik vond het juiste geneesmiddel voor haar en ik vond een vrouw die haar in het ziekenhuis verzorgde en te eten gaf. Ze knapte op en leerde daarna praten en lopen. En toen vertrok ik en liet haar achter in het ziekenhuis. Ik hoop dat ze nog leeft; ik weet het niet.

Het was zo’n voorrecht Aweil te kunnen zien groeien en haar transformatie te zien van ziek en verdrietig en verweesd naar gezond en goed gevoed en blij. Het is een van de mooiste dingen die ik ooit heb gezien. Ik heb overwogen te proberen zelf voor haar te zorgen, maar ik denk niet dat ik dat kan. Het is een zware beslissing, een die ongetwijfeld veel mensen zullen herkennen die wel eens hebben gereisd naar een land met erbarmelijke omstandigheden.

Ik geef om de mensen van Soedan. Ze zijn me dierbaar geworden. Daarom kan ik niet echt zeggen dat ik Soedan achter me heb gelaten. Geloof me, het is geweldig om mijn vrienden hier in Toronto terug te zien en weer te kunnen slapen. Maar ik merk dat een deel van mijn geluk afhangt van Soedan. Als het land een zware tijd heeft, beïnvloedt dat mijn stemming.

Kortgeleden is de situatie in Soedan een stuk verslechterd. Er werd een aantal mensen ontvoerd en Omar al-Bashir [de Soedanese president, red.] heeft Artsen zonder Grenzen het land uit geschopt. Als ik zulk nieuws hoor, heb ik maar één dwingende gedachte: “Hoe kan ik terug daarheen? Hoe kan ik doorgaan met dit werk?” En in plaats van het antwoord te vinden op de vraag “Hoe kan ik dit soort werk inpassen in mijn leven?”, realiseer ik me dat de eigenlijke vraag is geworden: “Hoe kan ik een leven inpassen in dit soort werk?”.


1 2 NEXT >>
view as a single page

 


Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit
   
Abonnement
Geef Ode cadeau
Nieuwsbrief