Het doe-het-zelf-bosAmory Lovins over Willie Smits, redder van apen en bossen op Borneo. Het is stil in de bossen van Zuidoost-Azië, zegt Willie Smits. Steeds stiller. ‘Als je in landen als Maleisië, Cambodja, Vietnam of Laos door de oerwouden loopt, hoor je bijna geen geluiden meer.’ Geen tropisch gekraai van de vogels, geen lokroep van de gibbons, geen getjilp, geen gebrul. De verklaring daarvoor geeft hij ook meteen: ‘In al die landen zijn de afgelopen jaren massaal dieren uit hun natuurlijke omgeving gehaald. Alles is zo’n beetje weg, het bos uit gesmokkeld en verkocht door handelaren, vooral aan de steeds rijker wordende Chinezen. Dit zijn de stilste bossen van de wereld aan het worden. Vrijwel alleen in Indonesië zie en hoor je nog dieren.’ Indonesië, de langgerekte eilandenarchipel in het zuidoosten van Azië is het tweede vaderland geworden van de voormalige Nederlander Willie Smits. Maar ook daar worden de dieren steeds massaler uit hun bossen verdreven door de illegale houtkap. Hij zag het de afgelopen jaren om zich heen gebeuren, op de plek waar hij nu al zo’n dertig jaar woont en werkt als bosbouwer, microbioloog en dierenbeschermer, in de Indonesische provincie Oost-Kalimantan, op het eiland Borneo. ‘Die illegaliteit in de houtkap en ook in de dierensmokkel is hier erger geworden sinds het vertrek van president Soeharto. Onder zijn leiding was er nog een zekere mate van controle, nu veel minder.’ Het is, vertelt hij er wel bij, niet alleen de schuld van de illegale houtkap en de dierensmokkel dat het zo snel de verkeerde kant op gaat met de Aziatische oerwouden en haar bewoners. Het is ook de klimaatverandering die hier een grote rol speelt. ‘Het bos is in de war, er is geen gemeenschappelijk bloeiritme meer. De laatste twaalf jaar is vrijwel geen enkele zaailing van de zo belangrijke meranties meer opgegroeid. Het oerwoud van Zuidoost-Azië is langzaam aan het uitsterven.’ Deze weinig opbeurende ontwikkeling uit Smits op een opvallend neutrale toon; geen gezucht, geen gesomber, het is een beetje alsof hij college geeft en met de natuurlijke dictie van een professor zijn toehoorder eerst even de feiten wil schetsen van de wereld waarin hij werkt. De wereld ook waarin hij, Willie Smits, dit soort mega-problemen aanpakt en oplost. Want daar is hij van: van de oplossingen. Hij is een paar dagen op bezoek in zijn geboorteland Nederland en vergadert vandaag met ingenieurs van het Rotterdams bureau Spie Controlec Engineering. Het decor past in veel opzichten niet bij het avontuurlijke oerwoudleven van Smits: we zitten in een kantine van het bureau dat kantoor houdt aan de rand van een snelweg rond de Maasstad, met kaas en worst in plastic folie en koffie uit de automaat. Smits lijkt zich geen moment te storen aan deze omstandigheden. Boven een kop Hollandse erwtensoep en een broodje ossenworst licht hij ongestoord en enthousiast zijn werk toe. Zijn jongste project krijgt de meeste aandacht: het project met de suikerpalmen. Met de Nederlandse ingenieurs legt hij hier in Nederland de laatste hand aan een nieuwe uitvinding: de Green Village Box, een fabriekje ter grootte van een container waarin een gedeelte van het suikerrijke sap van suikerpalmen met behulp van gist wordt omgezet in ethanolrijk brouwsel. Die ethanol wordt daarna eruit gedestilleerd en opgewerkt tot bijna zuivere ethanol – waarmee in een generator stroom en warmte wordt opgewekt – en zuiver, drinkbaar water. Het overschot aan ethanol gebruikt de lokale bevolking als vervanging van brandhout en houtskool, zodat ze geen bomen meer hoeven te kappen. Het is een echte Willie Smits-uitvinding: origineel, gelinkt aan de natuur, met inspirerende economische perspectieven voor de lokale bevolking, verzonnen en uitgewerkt in Indonesië. Smits (1957) opereert al jaren op het snijvlak van wetenschap en techniek. Je zou hem de Willie Wortel van het oerwoud kunnen noemen, met zo’n dertig uitvindingen op zijn naam. Maar als je moet kiezen voor één omschrijving, dan is Willie Smits toch vooral ’s werelds meest vooraanstaande beschermer van orang-oetans en hun natuurlijke leefomgeving. Een dierenman, en eigenlijk had hij ook in die richting willen studeren. ‘Ik wilde altijd dierenarts worden, daar was ik op school al heel erg mee bezig’, vertelt hij. ‘Maar op de voorlichtingsdag in Utrecht ging er van alles mis: het regende hard, de trein was vertraagd en toen ik eindelijk op de universiteit aankwam, zag ik een half verlicht groot en saai gebouw waarin een paar matig gemotiveerde mensen een presentatie over diergeneeskunde gaven. Daar knapte ik totaal opaf.’ Een aantal vrienden van hem had intussen besloten in Wageningen te gaan studeren. Er was een kamer over in het huis dat ze huurden en Willie mocht er zolang komen zitten. ‘Op de faculteit zag ik een aankondiging hangen van het eerste college van Roelof Oldeman, hoogleraar in de bosbouw. Dat leek me interessant en ik ging erheen. Tijdens het college had ik meteen een klik: dit was het, dit wilde ik leren, hier wilde ik goed in worden.’ Hij studeerde hard en verbaasde ook Oldeman met zijn kennis en motivatie. ‘Toen ik was afgestudeerd, wilde ik ergens heen waar nog nooit iemand was geweest. Ik hou niet zo van het saaie, voor de hand liggende, dus ik zag een baan in Holland eigenlijk niet zitten’, vertelt hij. Zo belandde Willie Smits in 1980 midden in het oerwoud van Borneo. Daar leerde hij zijn vrouw kennen, een bijzondere, invloedrijke Indonesische die later tot koningin werd gekozen van haar volk, de Toumbulu - dat een miljoen mensen omvat – en intussen ook vice-burgemeester van haar stad en kandidaat-gouverneur voor de provincie is. ‘Dankzij haar ken ik de Indonesische politieke wegen en begrijp ik de structuren en de cultuur; dat heeft me enorm geholpen hier.’ Als jonge bosbouw-ingenieur ging Smits voortvarend aan de slag. Hij zette een genenbank van verschillende bomen op en deed baanbrekend onderzoek naar schimmels, die hij zelf ‘de sleutel in de regeneratie van het tropisch oerwoud’ noemt. Hij leidde lokale boeren op om meer uit hun eigen land te halen. En hij verloor zijn hart aan de orang-oetan, nadat hij een stervende baby had gevonden op een afvalhoop op de lokale markt. Hij verzorgde de aap, en later volgden er meer die hij redde uit bars, nachtclubs en toeristische attracties. Toen de apen volgens Smits weer klaar waren om op eigen handen en voeten hun natuurlijke leefomgeving op te zoeken, liep Smits tegen een nieuw probleem aan: er was onvoldoende bos voor de apen, en als er wel oerwoud beschikbaar was, dan dreigden de apen alsnog in handen te vallen van de illegale houtdieven. feite begon daar het idee waarmee ik nu nog bezig ben: het eigen bos creëren voor de apen.’ Het groeide uit tot een uniek project waarbij, in Smits’ woorden, ‘ik in grote lijnen de natuur geïmiteerd heb’. Voor ‘zijn’ bos zocht hij een plek waarvan niemand later zou kunnen zeggen: daar was al van alles in orde. Nee, ze moesten zeggen: hier zou nog geen gek beginnen. Hij toont een dia van het landschap zoals dat er zes jaar geleden uitzag: de grond is geel en bruin van de branden die hier jaarlijks woedden, er staan nauwelijks bomen. Hier zou je inderdaad geen gek een ambitieus bosproject beginnen. Maar Willie Smits dus wel. Dit gebied van een paar duizend hectare groot is in de afgelopen jaren, met hulp van de lokale bevolking, stap voor stap ontwikkeld. Wie de dia’s van Smits in chronologische volgorde bekijkt, ziet een wonder ontstaan. De laatste foto in de serie is eerder dit jaar gemaakt en toont een groot, groen gebied, met hoge bomen zover het oog reikt. ‘Ik heb hier ruim duizend verschillende boomsoorten geplant, een enorme biodiversiteit, vergelijk dat eens met het totale aantal bomen dat in Europa van nature voorkomt: dat zijn er 165. De grond bestond uit arme, totaal uitgespoelde bodems waarop een alang-alang genaamd gras in een droge tijd elke keer weer verbrandt door de steeds opnieuw oplaaiende vuren vanuit de ondiep gelegen en constant nasmeulende kolenlagen in de aarde. Dit gras voorkomt de kieming van boomzaden door een cyanide-achtig stofje en kan geen water vasthouden’, vertelt Smits. De bosbouwer zette al zijn kennis in: zijn schimmels om de bomen te helpen het recalcitrante alang-alang-gras uit te schaduwen, en zijn genenbank om een nieuw woud van bomen op te bouwen. Met aan de randen van de percelen een bufferzone met suikerpalmen, Smits’ magische boom die zoveel mogelijkheden biedt. Een suikerpalm werkt, weet hij inmiddels, alleen in bossen met een grote diversiteit aan bomen. En de winning van het sap uit de boom is arbeidsintensief en lastig, maar de plaatselijke mensen kennen de trucjes daarvoor al eeuwen. Bovendien houdt een ring van suikerpalmen de veelvuldig voorkomende branden tegen en kan zo andere bossen beschermen. Smits liet alle bomen in lange rijen planten, met ertussen allerlei andere kleine gewassen en planten die vooral bedoeld zijn om snel inkomen te genereren. De lokale bevolking is vanaf het begin nauw betrokken en ziet in welke voordelen zij zelf kunnen behalen in dit nieuwe, zelf opgezette stuk regenwoud; hier ligt veel toekomstige oogst en een belangrijke bron van energie en inkomen. Met dat gegeven ziet de economische toekomst er heel rooskleurig uit voor ze. Daarom beschermen ze het nieuwe bos ook tegen de illegale houtkap, omdat het overleven van het bos hun belang is geworden. ‘De techniek om te zien of er bomen worden gekapt, hebben we ook in huis’, vertelt Smits, en hij toont foto’s van hypermoderne satellietsystemen en camera’s die alles tot op de grond in de gaten kunnen houden. ‘Maar de beste bescherming van het oerwoud ligt uiteindelijk bij de mensen die hier wonen en werken. En omdat die nu zien en voelen dat hier een mooie toekomst ligt, houden zij de dieven weg.’ Meer dan honderd verschillende soorten vogels leven er inmiddels in het bos dat tot voor zes jaren alleen een troosteloze, stille vlakte met wuivend geel gras was. En veel van de vogels en dieren die nu hier een nieuw woongebied vonden, brengen nieuwe zaden binnen zodat het aantal plantensoorten in hoog tempo verder groeit. Het bos is inmiddels al groot genoeg om zijn eigen wolken te creëren. Het regent vaker boven dit nieuwe bos dan boven aanpalende stukken onbewerkt oerwoud. ‘Er valt nu al ruim 25 procent meer regen. We hebben hier een eigen micro-klimaat gerealiseerd’, zegt Smits. Binnenkort worden zijn eerste apen losgelaten om hier weer vrij te leven. Dan gaat Smits’ oorspronkelijke droom echt in vervulling. Maar nu al is er de bijna dagelijkse opwinding over de succesvolle ontwikkeling van het bos. ‘Het gaat zo goed. Alle lijnen komen samen, het werkt. Het is allemaal geïntegreerd denken wat we hier doen.’ Het komt met beheerst enthousiasme uit de mond van de Nederlandse Indonesiër. En hij krijgt er veel lof voor toegezwaaid. Ook van de internationale gasten die hem hier bezoeken. Op een van de heuvels van het terrein heeft hij samen met de plaatselijke mensen een prachtige lodge gebouwd. Een eco-lodge waarin toeristen zijn project kunnen zien en ervaren. Ze weten niet wat ze zien, vertelt de gastheer. Zijn telefoon gaat. In vloeiend Bahasa Indonesia voert hij een kort gesprek met een van zijn medewerkers op het terrein op Borneo. Hij is inmiddels deel van een grote familie daar, vertelt hij. Natuurlijk vanwege het bos, maar ook dankzij de band waarin de medewerkers van Smits en hijzelf af en toe spelen. ‘De band speelt daar op alle feesten. We spelen lokale Dangut-muziek, maar ook gewoon rock. En we doen dat altijd gratis, waarmee we deel worden van de grote familiegemeenschappen om ons gebied heen. Dat vinden ze prachtig en het is een extra manier om alle lokalen hier mee te krijgen in dit project. En om ervoor te zorgen dat dit nooit een stil bos wordt!’ ![]() ‘Willie Smits is ’s werelds meest vooraanstaande beschermer van de orang-oetan en diens leefgebied. Samen met zijn Indonesische team heeft hij een paar duizend hectare schraal en verwoest grasland weten om te toveren tot een weelderig regenwoud. Het gezonde bosgebied is stapsgewijs per vierkante meter totstandgekomen en zeer binnenkort klaar voor de herintroductie van volbloed orang-oetans. Het nieuwe ecosysteem s op een mooie manier volledig geïntegreerd in de plaatselijke economie, zodat ook de bevolking er alle voordeel van heeft. Dit is vermoedelijk een van de beste voorbeelden van ecologisch én economisch herstel in de tropen.’ — Amory Lovins, voorzitter en topwetenschapper van het Rocky Mountain Institute, dat zich inzet voor efficiënt gebruik van natuurbronnen en beleidsontwikkeling.
|
|


