Laat ze binnenWaarom rijke landen de grenzen moeten openzetten voor laagopgeleide migranten. In het rijke deel van de wereld vinden we het vanzelfsprekend dat er grenzen worden gesteld aan het vrije persoonsverkeer. We gaan er van uit dat het normaal en wenselijk is dat mensen uit arme landen in hun arme landen blijven, net zoals middeleeuwse lijfeigenen hun land niet mochten verlaten. We staan er nooit bij stil dat we misschien allemaal beter af zouden zijn als deze moderne lijfeigenen worden vrijgelaten, omdat ze veel productiever zijn als zij niet werden gedwongen te blijven waar ze zitten. Net zoals de feodale heersers zich nooit afvroegen of hun systeem deugde – omdat zij zich comfortabel aan de top ervan bevonden – veronderstellen de meeste inwoners van rijke landen dat zij baat hebben bij immigratiecontroles, die hen beschermen tegen een toestroom van mensen uit de rest van de wereld. Natuurlijk beschermen deze controles hen ook, op een bepaalde manier – maar tegen welke prijs? Zouden we niet net zoveel voordeel kunnen hebben van het vrijlaten van mensen in arme landen, als we hebben gehad van de overgang van het feodalisme naar het kapitalisme? Er zijn goede redenen om aan te nemen dat de voordelen van vrijere immigratie heel groot zijn. Rijke landen hebben veel meer kapitaal – machines, gebouwen, infrastructuur, et cetera – en veel betere technologie dan arme landen, waardoor werknemers in rijke landen veel productiever zijn. Wanneer werknemers uit arme landen naar rijke landen verhuizen, kunnen ook zij gebruikmaken van het daar aanwezige kapitaal en de superieure technologie, waardoor ze veel productiever worden. Hierdoor zijn zij – en de wereld als geheel – veel beter af. In 2004 concludeerden Jonathan Moses en Bjørn Letnes, beiden verbonden aan de Noorse universiteit van wetenschap en technologie in Trondheim, dat de ‘geschatte baten van vrije immigratie zouden kunnen oplopen tot 55 biljoen dollar’. Volgens hen zou zelfs een kleine versoepeling van de immigratiecontroles al leiden tot onevenredig grote winsten. Tegenstanders van vrije immigratie geven dat ook toe. Zo schreef George Borjas, verbonden aan Harvard: ‘Volgens de wetten van de vrije markt zou de wereld veel rijker zijn als er geen nationale grenzen waren die het vrije verkeer van mensen en goederen in de weg stonden. Door de immigratie van velen te verbieden, wordt de mondiale economische groei onvermijdelijk belemmerd.’ Het spreekt voor zich dat migranten erop vooruit zouden gaan als zij naar de rijke wereld trekken, omdat zij daar een veel hoger loon zouden krijgen. Het is over het algemeen ook waar dat de landen van oorsprong van de immigranten baat hebben bij hun verhuizing, omdat een deel van hun verdiende geld naar huis wordt teruggestuurd. Maar de grote vraag voor de rijke landen is niet of immigranten, arme landen of de wereld in zijn geheel baat zouden hebben bij vrijere migratie, maar hoeveel economisch voordeel de rijke landen zelf zouden kunnen behalen door meer migranten toe te laten – en of hun eigen burgers erop achteruit zouden gaan. Economische angst voor immigratie is vooral gebaseerd op drie veel voorkomende misvattingen, die ervoor zorgen dat immigranten het nooit goed kunnen doen – of ze nu werken of niet. Het zijn de drie volgende mythen: Mythe 1: Er is maar een beperkt aantal banen voorradig, zodat elke baan die door een immigrant wordt bezet er één minder is voor een autochtoon Daar komt nog bij dat immigranten de totale vraag naar goederen en diensten doen toenemen, omdat zij nu eenmaal een deel van hun salaris besteden in hun nieuwe thuisland. Daardoor neemt de vraag naar werknemers toe die deze goederen en diensten kunnen produceren. Zo creëren immigranten banen voor de autochtone bevolking. Mythe 2: Immigranten en autochtonen strijden om dezelfde banen Immigranten van wie de vaardigheden die van autochtone werknemers aanvullen, zorgen er ook voor dat zij productiever zijn. Een Vietnamese oppas zal misschien niet alleen de lasten van een druk bezette moeder verlichten, maar haar ook in staat kunnen stellen om haar ambitieuze baan als beleggingsadviseur weer op te pakken. Dankzij Filippijnse verpleegsters is de kwaliteit van de zorg in Amerika en Groot-Brittannië toegenomen, evenals het aantal patiënten dat ze kunnen behandelen. Mythe 3: Migranten komen niet om te werken, maar om te parasiteren op het gastland Trouwens, als er in rijke landen tekenen zijn die erop wijzen dat migranten – of welke groep dan ook – misbruik proberen te maken van de uitkeringen, zouden de regeringen de beschikbaarheid van die uitkeringen kunnen beperken tot staatsburgers of mensen die een bepaalde tijd in het land hebben verbleven. Laat ik een boude stelling poneren: immigranten zijn vaak jonger en fitter dan autochtonen, werken harder en zijn ondernemender. Waarom? Omdat immigranten een zichzelf selecterende minderheid zijn. Jongeren hebben hun hele leven nog voor zich en dus het meeste te winnen bij een emigratie, terwijl de ouderen en zieken daar meestal niet (meer) toe in staat zijn. Meer dan de helft van de buitenlanders in de Verenigde Staten zijn twintigers en dertigers, tegenover slechts een kwart van de autochtone bevolking. Meer dan 80 procent van de Oost-Europeanen die sinds 2004 naar Groot-Brittannië zijn getrokken om werk te zoeken, zijn tussen de 18 en de 34 jaar. En wat geldt voor mensen die een eigen zaak beginnen – ze werken harder en zijn ondernemender dan anderen – geldt ook voor diegenen die bereid zijn het risico te nemen elders op zoek te gaan naar een betere toekomst. Hieruit volgt dat immigranten doorgaans harder werken en ondernemender zijn dan autochtonen. Voor welk loon dan ook, in welke baan dan ook: de kans is groot dat zij ijveriger zijn. Immigranten hebben dus direct een positieve invloed op de productiviteit van een economie – wat gunstig is voor de werkgevers en de lokale bevolking die gebruikmaken van de goederen en diensten die zij produceren. Maar de belangrijkste reden waarom rijke landen de grenzen open moeten zetten voor arbeidsmigranten, is het groeiende tekort aan arbeidskrachten die het werk doen dat bijna iedereen zou kunnen doen, maar dat westerlingen niet langer willen doen. Iemand moet de wc’s schoonmaken, de vuilnis ophalen en het huis schilderen. Als we geen immigranten toelaten om dergelijke taken te vervullen, zullen we Europeanen en Amerikanen een te hoog loon moeten betalen om hen te bewegen deze baantjes aan te nemen die zij niet willen doen. Want één ding is duidelijk: er begint zich een kloof af te tekenen tussen de vaardigheden en ambities van de meeste westerlingen, en de beschikbare banen in de westerse landen. Steeds beter opgeleide arbeidskrachten willen hoger opgeleide banen met een hoger loon en hogere sociale status. Dus wie doet het laaggeschoolde werk? Tot op zekere hoogte kunnen machines laaggeschoolde werknemers vervangen. We hoeven een blikje cola niet aan te schaffen bij een verkoper, maar ook bij een automaat. Bewakers kunnen worden vervangen door een gesloten tv-circuit en de voedingen zouden van buitenaf kunnen worden gecontroleerd. In Japan – waar in 2015 één op de vier mensen boven de 65 jaar zal zijn, maar waar buitenlandse verpleegsters nog altijd worden geweerd – worden apparaten voor bejaardenzorg-op-afstand ontwikkeld, zoals de iPot een elektrische ketel die de hele dag water warm houdt voor thee of misosoep. Een familielid of vriend krijgt tweemaal per dag een rapport toegestuurd naar de mobiele telefoon of het e-mailadres, zodat in de gaten kan worden gehouden hoe laat en hoe vaak het waterknopje is ingedrukt. Toch zullen vele diensten in rijke landen door mensen verleend blijven worden. De straten, hotels, ziekenhuizen en woningen in Rotterdam kunnen alleen ter plekke worden schoongemaakt. De taxi’s en bussen in New York kunnen worden bestuurd door mensen die in New Jersey wonen, maar niet door mensen in New Delhi. De kinderen van ouders die in Silicon Valley werkzaam zijn, kunnen slechts worden verzorgd door kindermeisjes die wonen in de baai rondom San Francisco. De reservering voor een tafel in een restaurant in Toronto kan nog overzees worden uitbesteed, maar de gasten zullen ter plaatse moeten worden bediend, zoals de afwas ook niet kan worden verscheept. De straatlantaarns in Sydney kunnen alleen worden gerepareerd door iemand die ter plekke met een ladder omhooggaat. Bouwmaterialen kunnen worden geïmporteerd, maar huizen zullen moeten worden gebouwd op de plek waar ze zijn gepland. Parkeerbonnen moeten nog altijd ter plekke worden uitgeschreven. Een gazon kan niet op afstand worden gemaaid... Natuurlijk kunnen tieners en studenten bij dit soort taken helpen, maar we moeten ons realiseren dat westerlingen steeds minder kinderen krijgen. Zolang Europeanen, Noord-Amerikanen en Australiërs zich specialiseren in hoogopgeleid werk, zullen deze laaggeschoolde banen hoofdzakelijk moeten worden vervuld door immigranten. Is het dan niet vernederend om immigranten binnen te halen om het vieze, gevaarlijke en slecht betaalde werk te doen waarvoor wij zelf onze neus ophalen? Nigel Harris, de auteur van Thinking the Unthinkable, heeft hierop een mooi antwoord: ‘Het is pervers om te suggereren dat je iemands welzijn beschermt door hem níet te laten werken, ook als hij dat graag wil, als het werk moet worden gedaan en als mensen in zowel het land waar de immigrant werkt als het land waar hij vandaan komt er voordeel van ondervindt. Men kan net zo goed beweren dat de lokale bevolking minder goed moet worden opgeleid, zodat zij die minderwaardige baantjes maar moet doen.’ Met toestemming bewerkt en overgenomen van Philippe Legrain: Immigrants: Your Country Needs Them (Little Brown, ISBN 978-0316732482) . Legrain is een Britse econoom en schreef eerder Open World: The Truth About Globalisation (Ivan R. Dee, 2004). Meer informatie: www.philippelegrain.com
|
|

