Email   Print
Share  

Door de bomen het bos weer zien. De natuur geeft het bos terug

Virginia Dare was op 18 augustus 1587 het eerste kind dat uit Engelse ouders werd geboren in de Nieuwe Wereld. Haar geboorteplek – op Roanoke Island, in wat nu North Carolina heet – was de eerste poging van Engeland om een kolonie te stichten op dit continent en het was ook de plaats waar de eerste Britse moord op een leider van de Indianen werd gesignaleerd.

Bill McKibben | 5 november/december 1995 issue

Op 14 september 1987 – vierhonderd jaar later – deed een team van biologen die werken voor de Amerikaanse Fish and Wildlife Service op Roanoke Island de poort van een omheining open, en liet een paar rode wolven met zendertjes in hun halsband vrij in het Nationale Wildpark bij de Alligator River. Op ongeveer een half uur rijden van de plek waar Dare werd geboren verdwenen de dieren in de bossen. Dit was de eerste soort in de Noordamerikaanse natuur die ooit was uitgestorven en daarna opnieuw in de biotoop werd vrijgelaten vanuit een groep dieren die in dierentuinen was overgebleven. Het waren pioniers, net zo goed als Dare. Door de krachten die met de Europese kolonisatie waren ontketend, waren de rode wolven bijna volledig van het continent weggevaagd. De kolonisten bestempelden de wolf tot een zinnebeeld van de duivel, loofden beloningen voor ze uit, zetten per staat en ook landelijk projecten op om roofdieren te bestrijden, en namen hun laatste paar toevluchtsoorden in beslag voor de landbouw of andere zakelijke belangen. De biologen op Roanoke Island hebben de afgelopen acht jaar met hun ogen en oren kunnen constateren hoe de losgelaten dieren zich hebben voortgeplant en uitzwermden over de 60.000 moerassige hectare van het wildpark waar het wemelt van de muggen. Tot en met afgelopen winter hadden de biologen 61 in het wild geboren welpen geteld.
Achthonderd kilometer noordelijker bestudeert milieudeskundige Peter Dunwiddie rond zijn huis op Nantucket proefmonsters uit moerassen en venen en bekijkt stuifmeel onder de microscoop om erachter te komen wat er groeide op Cape Cod en de aangrenzende eilanden in de Atlantische Oceaan voor en na het moment dat de Pilgrim Fathers van boord gingen in Plymouth daar vlakbij. Het begin van de Europese vestiging is gemakkelijk traceerbaar in zijn stuifmeelmonsters. ‘Het duurde letterlijk maar enkele tientallen
jaren voor het woud totaal was verdwenen’, vertelde hij me onlangs. ‘Dan vind je geen eikestuifmeel meer en plotseling een heleboel stuifmeel van gras. En dat blijft grotendeels zo tijdens de volgende tweehonderd jaar.’ De Europeanen veranderden een groot deel van het gebied in een uitgestrekte schapenweide. Tegen het einde van de negentiende eeuw – juist op het moment dat de klad kwam in de landbouweconomie – begonnen plaatselijke bewoners foto’s te nemen. Als aanvulling op zijn stuifmeelmonsters heeft Dunwiddie een enorme collectie originele opnamen bijeengebracht, samen met exemplaren die vijftig of honderd jaar later op dezelfde plekken zijn gemaakt. ‘Dit is Prospect Hill op Martha’s Vineyard in 1916’, zei hij tegen me en pakte er eentje waarop een stenen muur tegen een heuvel oploopt en over de top verdwijnt. ‘Er is geen boom op te zien. Op de recente opname van dezelfde plek staat niets anders dan een eikenbos, en een volgroeid eikenbos. Je ziet de stenen muur niet meer. Je kunt nauwelijks meer de omtrek van de heuvel zien, zo dik is het bos.’
Stel je voor dat je de aarde ziet vanuit een satelliet, schrijft Alan Durning in het rapport State of the World van het Worldwatch Institute uit 1994. Een versnelde film die per minuut duizend jaar bestrijkt zou in de wouden op aarde slechts minimale veranderingen laten zien, de wouden die duizenden jaren achtereen ongeveer eenderde van het aardoppervlak bedekten. Maar in de laatste drie seconden van de film – de jaren na 1950 – zo zegt hij, ondergaat die verandering een explosieve versnelling: ‘Enorme stukken bos verdwijnen in Japan, de Filippijnen en het vasteland van Zuidoost-Azië, in een groot deel van Midden-Amerika en de Hoorn van Afrika, in het westen van Noord-Amerika en het oosten van Zuid-Amerika, op het Indiase subcontinent en in Afrika ten zuiden van de Sahara. Zuidoost-Azië ziet eruit als een schurftige hond. Het Maleisische eiland Borneo is gescalpeerd. In de allerlaatste milliseconden verspreidt de houtkap zich naar Siberië en het noorden van Canada. De bossen verdwijnen zo plotseling op zoveel plaatsen dat het lijkt of een sprinkhanenplaag op de planeet is neergestreken.’
Maar als je tijdens diezelfde drie seconden vanuit de ruimte kijkt naar het oosten van Noord-Amerika, dan zie je iets anders: een groene vlek die zich uitbreidt als schimmel op een boterham, en nog snel ook. In het begin van de negentiende eeuw meldde dominee Timothy Dwight dat hij op de reis van 360 kilometer van Boston naar New York maar door dertig kilometer bos kwam. Toen hij de veranderingen overzag die boeren en houthakkers hadden teweeggebracht in New Hampshire, schreef hij: ‘Niet alleen zijn de bossen omgehakt, er lijkt weinig aanleiding om te hopen dat ze er ooit weer zullen groeien.’ Minder dan twee eeuwen later is negentig procent van New Hampshire weer met bos bedekt ondanks de grote bevolkingsgroei in deze staat. Vermont had 35 procent bos in 1850 en dat is nu tachtig procent. Dit proces, dat begon toen de boeren de koude weidegronden vol stenen in het oosten verlieten en naar de vruchtbare grond in het midden-westen verhuisden, loopt nog niet op zijn einde. Bijvoorbeeld in de staat New York nam de bebossing in de tien jaar na 1980 opnieuw met meer dan 400.000 hectare toe. De Amerikaanse Forest Service schrijft: ‘Het landschap met bossen en weiland in de Appalachen heeft, net als in veel andere delen van het oosten en zuiden, de hele
cirkel doorlopen. In de jaren zestig en zeventig van deze eeuw was het patroon van bos, akkers en weilanden weer hetzelfde als dat van vóór 1800.’
Deze onbedoelde en grotendeels onopgemerkte opknapbeurt van de landbouwgronden en heuvels in het oosten – en niet het behoud van de maagdelijke territoria in Alaska – is een voorbeeld van het grootse ecologische verhaal in de Verenigde Staten, en in zekere zin van de hele wereld. Op de plek waar de termen ‘voorstad’ en ‘grootstedelijk gebied’ werden toegevoegd aan onze woordenschat voltrekt zich een groene uitbarsting die hoop zou kunnen verschaffen aan een flink deel van deze aarde. Er zijn nog eeuwen van zorg en aandacht nodig voor de wouden hun oorspronkelijke majesteit geheel terughebben. En er is altijd het gevaar van een terugval. Maar het gebeurt onmiskenbaar. In zijn dagboek maakte Thoreau lijstjes van alle soorten die tegen het midden van de negentiende eeuw uit Concord verdwenen waren: de beer, de eland, het hert, het stekelvarken, ‘de hong’rige huilende Wolf’, en de bever. In 1989 moest de milieupolitie een eland afschieten die zich 15 kilometer van Boston metterwoon had gevestigd op de middenberm van Route 128, vermaard als America’s Technology Highway.

Als het onderwerp ‘natuur’ ter sprake komt, keert de Amerikaan zijn hoofd westwaarts. Voor me ligt de kalender voor 1995 van de Sierra Club met 58 verrukkelijke foto’s, de meeste van duizelingwekkende vergezichten uit het westen. Op de kop af twee zijn gemaakt in de 1500 kilometer lange bergrug van de Appalachen. Wij worden grootgebracht met een soort van ‘ecoporno’, plaatjes van ondergaande zonnen in de Grand Canyon en prangende berggezichten uit het westen. Torenhoge witte pijnbomen die gelden als de trots van de natuur. Maar we kunnen veel beter de denneboom als symbool invoeren: de nietige denneboom die oprijst zodra de koeien een weiland hebben verlaten, de denneboom waarmee het lange proces van natuurlijk herstel begint.
Van de Pisgahs, de Unakas en de Nantahalas in de zuidelijke Appalachen tot de White en Green Mountains en Adirondacks in het noorden, overal komen de bossen terug en begint dat de mensen op te vallen. Tegen het eind van de jaren tachtig vroeg het Congres om een studie naar de mogelijkheid om tien miljoen hectare bos te beschermen in New York, New Hampshire, Vermont en Maine. Een oppervlakte bijna vijf maal zo groot als Yellowstone Park. Bossen die er in een aantal gevallen honderd jaar eerder niet stonden. Het resultaat is dat thans driekwart van de Amerikaanse bossen in het oosten van het land ligt. En Amerika’s oorspronkelijke bossen lagen ooit ook voor driekwart in het oostelijke deel van het land.
Er is tegenwoordig natuurlijk maar heel weinig oerbos bij. Het meeste ervan draagt de sporen van de menselijke geschiedenis, die al ver voor Columbus begon. Prehistorische Indianen trokken de noordelijke wouden niet lang na de terugtrekking van de gletschers binnen. Wetenschappers twisten er nog steeds over of hun komst het plotselinge uitsterven van de megafauna veroorzaakte – de mammoeten en mastodonten, armadillo’s en grondluiaards, reuzenbevers, ijzingwekkende wolven en sabeltandtijgers die ooit in het oosten rondzwierven. Er is echter geen twijfel mogelijk dat de Indianen gedurende duizenden jaren het landschap aan hun behoeften aanpasten. ‘Het is verleidelijk om te denken dat de Europeanen bij hun aankomst in de Nieuwe Wereld een Maagdelijk Land aantroffen, Het Voorwereldlijk Woud, een wildernis die ontelbare jaren had voortbestaan zonder door mensenhanden te zijn aangeraakt,’ schrijft William Cronon in Changes in the Land, zijn meesterlijk verslag van de vroege historie van New England, ‘maar niets is minder waar.’ De Indianen maakten grond vrij voor landbouw, en brandden sommige bossen een of twee keer per jaar plat, waardoor ze toegankelijk bleven.
De inbreuk die de Indianen maakten was grootschalig, maar wel tijdelijk. Als de Indianen een bepaalde periode gebruik hadden gemaakt van een terrein, trokken ze weer verder. Maar niet de Europeanen. De houthakkers in het begin waren erg genoeg, maar de boeren kapten elke boom om weidegrond vrij te maken en zetten er dan dieren op te grazen die de inheemse grassen opvraten tot er niets dan modder lag. Nieuwe plantensoorten kwamen binnen via het scheepsvoedsel: de koningskaars en de malve bijvoorbeeld, en allerlei nachtschades, brandnetels en paardebloemen. Andere landbouwtechnieken lieten hun eigen vorm van ravage achter. In plaats van wisselbouw toe te passen, plantten de boeren jaar in jaar uit maïs, en maïs put de bodem snel uit. De koloniale boeren gebruikten vaak vis als kunstmest. Tegen het eind van de achttiende eeuw kocht je voor een dollar duizend vissen, schrijft Cronon. Maar dit was slechts een voorproefje van de verwoestingen tijdens de eerste eeuw van de nieuwe republiek. Van 1780 tot 1850 nam de bevolking van de Verenigde Staten achtvoudig toe, van bijna drie miljoen tot zo’n 23 miljoen. Er was ruim een hectare akkerland nodig om één persoon te voeden. Een tijdlang waren de bomen die de boeren omhakten voldoende voor de nationale vraag naar timmerhout maar in de tweede helft van de negentiende eeuw steeg de houtconsumptie van tien miljoen naar meer dan honderd miljoen kubieke meter per jaar. Hout werd werkelijk overal voor gebruikt. Het was net zozeer de hoeksteen van de economie als olie dat tegenwoordig is. Het voorradige ijzererts werd uitgesmolten met behulp van houtskool. Om jaarlijks duizend ton ijzer te kunnen produceren, verbruikte een hoogoven 8000 tot 12000 hectare bos. In de laatste helft van de negentiende eeuw – toen prikkeldraad het hout ging vervangen – stond er verder ongeveer vijf miljoen kilometer houten hek in Amerika. De spoorwegen slokten al gauw het hout op dat vrijkwam door het prikkeldraad. Rond de eeuwwisseling verbruikte de vraag naar treinwagons, bielsen, brandstof, bruggen, pijlers, stations en telegraafpalen samen een kwart van de nationale houtproduktie. Stoomboten stookten tot aan de Burgeroorlog hout als brandstof en consumeerden daarmee in 1840 eenvijfde van al het hout dat als brandstof werd verkocht. In de tweede helft van de negentiende eeuw was het percentage bebossing op veel plaatsen in het oosten gezakt van 70 naar 25 procent of minder.
Als de negentiende eeuw een tijdperk van verwoesting betekende voor de wouden in het noorden, was de twintigste een schemertoestand. Als je in het oosten door bijna elk willekeurig bos loopt, kun je het proces van herstel van nabij waarnemen. Je ziet de ondergrondse kelders waar nu berken uit opschieten, en zorgvuldig opgetaste stapels stenen waar nu mos op en het bos dicht omheen groeit. Uit het raam van de
kamer waar ik deze woorden tik, zie ik de verbrokkelde stenen dam die waterkracht leverde aan de kleine houtzagerij van Adirondack, die de hellingen in de buurt van bomen beroofde. Bomen weg, zagerij weg. Zagerij weg, bomen weer terug.
Dit herstel kwam niet vanzelf. Daarvoor moeten klimaat, toestand van de grond en economische omstandigheden allemaal meewerken. In het midden-
westen is geen herstel gekomen, omdat de grond daar nog steeds waardevol is voor de landbouw. En herstel is er ook niet overal in het oosten gekomen. Op sommige plaatsen wordt nog meedogenloos gekapt. En zelfs waar het herstel het verst is voortgeschreden, is het niet noodzakelijkerwijs blijvend van aard. Hoewel de natuur in het oosten in principe bezig is terug te komen, krijgt deze steeds meer te maken met hernieuwde aanslagen door de mens. Om een beeldspraak te gebruiken die toepasselijk is in deze omgeving: het oosten is als een jonge twijg die ontspruit aan de stronk van een oude kastanje die vroeg in de twintigste eeuw gedood werd door een dodelijke schimmel. Hij ziet er gezond uit, hij lijkt vol levenskracht – maar hij zal niet veel groter worden voor ook hij bezwijkt aan de parasiet.
Soms is het letterlijk een parasiet. De wereldhandel, die steeds in omvang toeneemt, brengt nieuwe ziekten binnen via kweekplantjes, verpakkingmateriaal en houtimport. Een verwoestende ziekte die beukenschors aantast richt grote schade aan in het noordoosten en in het hele gebied wordt de Canadese den het slachtoffer van een schadelijk insekt. Maar goed, ziekten verplaatsen zich langzaam, zeker in vergelijking met een feller-buncher – een machine die is uitgerust met een grijparm die een boom om zijn stam pakt en een cirkelzaag die hem vlak boven de grond losmaakt. Deze machine staat voor de industriële houtkap die het uiterste noorden en zuiden van dit gebied kenmerkt. Jammerlijk weinig vruchtbaar land in het oosten – zelfs dat eigendom is van de federale regering – is gevrijwaard van kaalslag en andere catastrofale technieken van ‘bosbeheer’. De schade is niet van de laatste tijd. Vele soorten planten en dieren zijn in het noordoosten uitgestorven, deels omdat ze afhankelijk waren van oerbossen, die al lang geleden zijn verdwenen. En de verliezen blijven niet beperkt tot het verleden alleen. Vele soorten wilde bloemen in de zuidelijke Appalachen zijn zelfs negentig jaar na de laatste kap nog steeds niet in de wouden teruggekeerd. De engere, meer opeengepakte positie van bomen die een bos in herstel kenmerkt, zorgt voor veranderingen in bodemgesteldheid, temperatuur en watervoorraad. Een bos in herstel mist niet alleen biologische soorten, maar vooral de rijkdom aan wisselwerking van een echt antiek woud – de relaties tussen grote en kleine soorten die de hoeksteen vormen van ieder bos.
De bosindustrie heeft ondanks alle ellende die hij nog steeds veroorzaakt, althans één zegenrijk effect gehad: je kunt urenlang over de wouden van Maine vliegen, of dagen door de natuurreservaten verder naar het zuiden rijden, en dan zul je kaalslag zien, grindwinning, en gebieden die zijn uitgedund door onkruidbestrijding, maar huizen zie je er niet. Je ziet er geen winkelcentra, geen verkaveling of vakantiehuizen die de biotoop ingrijpender verbrokkelen en doen achteruitgaan dan de geploegde akkers van de boeren twee eeuwen geleden. Mensen zorgen voor bestrating. Je kan last hebben van een zandpad of een open veld, maar als je het bestraat hebt, is het voor altijd veranderd.
Misschien ligt het schoolvoorbeeld van de terugkeer van het bos wel zestig kilometer – nog geen uur rijden – verwijderd van het hart van Manhattan, in Sterling Forest, een bos aan weerszijden van de grens tussen New York en New Jersey. Een eeuw geleden was het volledig kaal na meer dan honderd jaar brandstof te hebben geleverd voor hoogovens. Nu is het een groene vlek van 7000 hectare vol ratelslangen en beren, een onmisbare tussenstop voor trekvogels.
Milieubehoud was langs de Oostkust lange tijd een onderneming van de welgestelden – inspanningen van rijkelui uit de grote stad die de bergtoppen waar ze hun zomers doorbrachten en de meren waarnaast ze kampeerden wilden beschermen. Ze waren het kind van hun tijd en plaats en zo speelden deze mannen en vrouwen een belangrijke rol in het behoud van grote stukken land. Maar hun soort noblesse oblige, ook al leeft het voort in vele plaatselijke milieugroepen, is voor de toekomst duidelijk onvoldoende. Het prototype van de milieuactivist die nu opkomt is wellicht Jamie Sayen, die in een dorpje rond een papierfabriek in noordelijk New Hampshire woont. In de lente van 1987 publiceerde Sayen een landkaart en een essay: ‘De bergen van de Appalachen. Visie en wildernis.’ In de jaren erna herhaalde hij zijn streven naar ‘een doorlopende wilde biotoop die de hele bergrug van de Appalachen bedekt, en die mettertijd de terugkomst mogelijk kan maken van unieke planten en grote dieren – panters, beren, wolven en elanden – die overal of in een deel van de bergketen zijn uitgeroeid.’ De Appalachian Trail, die zich uitstrekt van Maine tot Georgia, zou de ‘ruggegraat’ kunnen zijn van deze oplevende wildernis – eentje die sterk genoeg is om ‘het gewicht te dragen van de enorme wilde gebieden in alle oostelijke streken’. Deze gebieden moeten dan verbonden worden door corridors langs zones van menselijke bewoning. Het oosten, en daarmee ook andere plaatsen op aarde, zouden met succes in ere hersteld zijn als de dieren en planten die er thuishoorden veilig konden terugkeren.
De landkaart die activitisten als Sayen bij elkaar fantaseren zou beginnen met een grote klont bos in Maine, die de overheid zou moeten overnemen van houtbedrijven die daar de laatste jaren veel grond hebben verkocht. Verder naar het zuiden zou de kaart vele stukken land tonen die al publiekelijk bezit zijn, waaronder de enorme staatsreservaten in Pennsylvania en de nationale parken rond de Smoky Mountains – bossen die tot verboden gebied kunnen worden verklaard voor industriele houtkap. Het is niet ondenkbaar dat er op een dag over de hele Appalachen wolven zullen rondzwerven, of dat poema’s de weg terugvinden naar de staten waar ze ooit hebben geleefd.
Milieubeschermers zijn gewoonlijk het meest geïnteresseerd geweest in land dat lange tijd met rust is gelaten. Maar als de milieubeweging echt vooruitgang wil boeken, zal die zich moeten bezighouden met de economie van de mensen in de helft die niet exclusief voor de natuur is voorbestemd. Op dit moment is er een sterke lobby voor eigendomsrechten, die bemoeienis vreest van de milieuactivisten. Toch bestaat er werkelijk een kans op fundamentele veranderingen, al was het alleen maar omdat zo’n groot deel van het gebied nu al zo verarmd is. De bosbouwproduktie biedt nog steeds zo’n 100.000 mensen een baan in de wouden van noordelijk New York en New England. Maar tussen 1984 en 1992 ging veertig procent van de banen in de houtkap in de bossen van Maine verloren – grotendeels omdat er door de feller-bunchers en andere machines veel minder arbeiders nodig waren dan bij de oude werkwijze met de hand. En daarmee ontstaat een vicieuze cirkel. Heeft de houthakker eenmaal zijn mooie nieuwe
machine, dan moet hij die afbetalen, en dat kan alleen maar door intensief te kappen. Wat is het resultaat van dit alles? ‘Het noorden vervult steeds meer de rol van een land in de Derde Wereld, dat zijn meest waardevolle ruwe materialen uitvoert (...) die elders worden verwerkt’, was de conclusie van een rapport. Mark Lapping, een van Amerika’s experts op het gebied van ruimtelijke ordening en bestuurslid van de University of Southern Maine, schetst het volgende trieste beeld. Het noorden van New England is nu wat je traditioneel in de Appalachen verwachtte: een einde-der-tijden streek, aan-het-randje-van-alles, vol met leeglopende dorpen, een vergrijzende bevolking die de ‘essentiële vaardigheden’ mist om het te redden in de nieuwe economische wereldorde. De dorpen in deze gebieden zijn chronisch berooide plaatsen die naast land, dieren, planten en water ook de menselijke geest vernietigen.
Omdat deze plekken zo te lijden hebben, en omdat ze tot de armste gedeelten van dit land behoren, zijn het ook de plekken die het minst te verliezen hebben, en ze kunnen daarom de beste kans bieden om iets nieuws te laten ontstaan – of iets ouds. ‘Toegevoegde waarde’ is het toverwoord waarmee de economie in dit soort plaatsen kan worden opgekrikt. In plaats van sparrebomen te verkopen aan iemand die er verderop tafels van timmert, maak je die meubels in de buurt van het bos. De Wilderness Society bracht onlangs een rapport uit waarin wordt gevraagd om een ‘duurzaam bos’ in de wouden van het noorden, niet een ‘werk-bos’. Dat rapport stipt bijvoorbeeld aan dat verkeersinstanties ineens meer interesse vertonen voor houten bruggen, omdat die niet worden aangetast door wegenzout. Het beveelt dingen aan als telefoonboeken in de papierfabriek zelf drukken en meubels produceren die je zelf in elkaar kunt zetten. ‘De arbeidsintensieve fabricage van zaken als meubels, muziekinstrumenten, houten speelgoed en boten kan economische verscheidenheid opleveren en het bestaan van de arbeiders een nieuwe inhoud geven’, zegt activist Jamie Sayen.
Toerisme biedt ook mogelijkheden. Zeventig miljoen mensen wonen bijvoorbeeld minder dan acht uur rijden van het reservaat van de Green Mountains. Tussen 1977 en 1989 groeide het aandeel van het toerisme in de economie van Maine met 5,1 procent per jaar, op het moment dat de houtindustrie mensen moest ontslaan. Uit een recente studie van de Wilderness Society bleek dat toerisme en recreatie in de natuurgebieden van de zuidelijke Appalachen al 379 miljoen dollar per jaar opleveren, tegenover 32 miljoen van de houtkap in publiek domein. Volgens de studie zal de vraag naar recreatie waarschijnlijk verdubbelen in de volgende 45 jaar: tweederde van de bevolking van Amerika kan binnen anderhalve dag met de auto in de Smoky Mountains zijn. In de Adirondacks wijzen bevoegde gidsen de stadsmensen al meer dan een eeuw waar ze kunnen jagen, vissen en trektochten maken. Voor de plaatselijke bewoners is dat een waardige manier om in de bergen te blijven wonen. Een reservaat in de wouden van Maine of een Nantahala Reservaat in de zuidelijke Appalachen dat zich meer instelt op trekkers en kampeerders dan op houthakkers, kan zeker een economische zegen betekenen voor de bewoners.
Biologen hebben het vaak over ‘teken-soorten’. Als een goed beheerd bosgebied en de organische wortel tekenen zijn dat de mens wijselijk weet wat zijn plaats is, dan is de wolf het teken dat de mens leert om echte grenzen te accepteren. De wolf mijdt de mens. In tegenstelling tot coyotes, die zich met gemak aanpassen aan de voorsteden, heeft een troep wolven veel vierkante kilometers nodig, lege vierkante kilometers, om in rond te zwerven. Behalve heringevoerde populaties rode wolven in de kuststreek van North Carolina en nu ook de Smoky Mountains, is het oosten vrij van wolven. In 1630 voerde Massachusetts de eerste officiële beloning in binnen de Nieuwe Wereld: een shilling voor elke dode wolf. In 1837 waren de wolven verdwenen uit Connecticut, in 1895 uit New Hampshire, in 1899 uit de meest verafgelegen plaatsen van de Adirondacks, en in 1909 uit Maine. De wolf was ooit het meest verspreid voorkomende landzoogdier ter wereld, maar hij heeft nog maar vijf procent van zijn oorspronkelijke leefgebied over in de 48 staten onder Canada.
En toch is het niet onmogelijk dat hij terugkeert. In Canada leven nog gezonde populaties, waaronder in het Algonquin Park van Ontario en het Laurentides Park in Quebec. En misschien beginnen de wolven wel weer langzaam naar omlaag te zakken. Wolven kunnen zich uit eigen beweging opnieuw in New England en de Adirondacks vestigen, en misschien zelfs nog zuidelijker. Maar ze kunnen daar hulp bij nodig hebben – het zorgvuldig gecontroleerde loslaten van dieren uit Canada en Alaska, net als het loslaten van wolven in Yellowstone Park. Een van de vele obstakels vormen de regeringsambtenaren die huiverig zijn voor plannen tot herinvoering, bang dat een publiek dat is groot geworden met Roodkapje en een jagersgemeenschap die de concurrentie vreest van een ander roofdier de wolf niet aan zullen kunnen. Maar de ervaring in Minnesota en Michigan leert dat de wolf weinig kwaad aanricht. Ze doden oude of zieke herten, en zoeken de zwakste dieren binnen een groep uit, in plaats van de gezondste exemplaren af te maken zoals de menselijke jagers doen. Zelfs koeien kunnen floreren waar de wolf rondloopt. Een wolf is praktisch gesproken genetisch geprogrammeerd om op herten, elanden en dergelijke te jagen. Van de 7000 boerderijen in Minnesota waar wolven bij kunnen komen, heeft minder dan een procent ooit een bezoek van wolven gemeld. Die boeren zijn door de staat schadeloos gesteld, die zich dat makkelijk moet kunnen veroorloven – de wolven lokken steeds meer toeristen naar de noordelijke staten, waar ze dan T-shirts kopen en tochten maken om ze te horen janken. Kortom, de wolven horen daar. Het oosten zal niet waarachtig hersteld zijn voor de horden weer over de bergen zwerven. Dat dit alleen al een reële mogelijkheid mag heten is verbazingwekkend, bijna een wonder.
De vrijgevigheid van de natuur in het oosten biedt de belangrijkste vorm van hoop, niet alleen voor een regio die een tweede kans krijgt om te besluiten hoe hij bewoond moet worden, maar voor de wereld die zeer dringend een voorbeeld nodig heeft. Want het oosten is een echt land, geen Yellowstone Park waar duidelijke grenzen lopen tussen de mensen en de natuur. In dat opzicht lijkt het op de rest van de wereld, op Siberië en de uitgestrekte bosrijke gebieden in Azië, op Midden- en Zuid-Amerika, en op Afrika. Het is net zo echt omdat er zo’n verwoesting heeft plaatsgehad. Op Haïti is de bebossing gedurende deze eeuw teruggelopen van meer dan tachtig naar minder dan een procent. Op de Filippijnen heeft een ‘kettingzagenmoord op de vorstelijke hardhoutbomen’ geleid tot erosie, beken met brak water, en een weertype dat wisselt tussen droogte en overstromingen. Hetzelfde gold een eeuw geleden voor een flink deel van de Appalachen. Hoewel een ander klimaat en een andere grondsoort nog grotere problemen zouden kunnen opleveren, betekent de opleving van het bos in het oosten de bescheiden belofte dat mensen in de toekomst op andere plaatsen kunnen rekenen op een opnieuw vitale natuur, die hen een fatsoenlijk en onbedreigd bestaan verschaft.
Hier, op de plaats waar een bepaald soort exploitatie ooit begon, is de koorts zo goed als uitgewoed. Die koorts teistert nog steeds grote delen van de wereld. De koers ervan en het kapitaal ervoor zijn grotendeels afkomstig uit de financiële en politieke centra aan de Amerikaanse oostkust. Maar niet ver daarvandaan, buiten de steden en voorsteden, krijgt de verdwenen landkaart van deze streek weer contouren. De beer, kalkoen en eland nemen hun oude domeinen weer in bezit. Bomen schieten op langs oude stenen muren. De wildernis van vroeger bestaat niet meer. Misschien ontstaat hier een nieuwe wildernis – een uitdijende wildernis die herstel betekent, die zich met oneindig veel zorg en toewijding van de mensen net als de golven van vernietiging over dit vasteland en daarna over de hele aardbol kan verspreiden.



Tools: Bespreken | Email | Print | RSS | Nieuwsbrief
Save/Share:
  • del.icio.us
  • Digg
  • Google
  • Facebook
  • YahooMyWeb
  • StumbleUpon
  • Blue Dot
  • Technorati
  • Reddit